Just because you’re right, doesn’t mean I’m wrong

Leestijd: +- 4 minuten

Op het Etmaal van de Communicatiewetenschap in Gent bezocht ik een presentatie over perspective-taking, oftewel het kunnen verplaatsen in een ander. Hoewel de resultaten van de experimenten uitgevoerd aan Tilburg University nu niet direct hoopgevend waren*, sloeg mijn fantasie meteen op hol. Wat zou de wereld mooier zijn, bedacht ik me, als mensen zich in allerlei situaties óók eens verplaatsen in een ander, voordat ze hun oordeel vellen. Wacht eens even, hoe ziet deze situatie eruit door de anders ogen? Wat ik net zei, zou je dat ook heel anders hebben kunnen horen?

Ik zie geïrriteerde geliefden voor me, lijnrecht tegenover elkaar, die even van perspectief wisselen en vervolgens samen lachen om hun eigen koppige gedrag. Burgers met begrip voor de verantwoordelijkheid van politici; politici met begrip voor de emoties van burgers. Autochtonen en migranten. Ouders en kinderen. Docenten en studenten. Strijdende machten. Rivaliserende bendes. Tom en Jerry. O nee, wacht, ruzie is hun verdienmodel.

Hoe werkt dat nou eigenlijk, van perspectief wisselen? En hoe kun je het stimuleren? Ik ben blijkbaar niet de enige met die gedachten. Naar perspective-taking wordt al lang onderzoek gedaan. De literatuur maakt onderscheid tussen perceptueel perspectief (wat je kunt zien of horen vanuit een bepaalde positie) en conceptueel perspectief (begrijpen dat iemand anders een andere psychologische ervaring kan hebben).
De eerste vorm van perspectief is vooral gebruikt om de cognitieve ontwikkeling van kinderen beter te begrijpen, onder andere door de beroemde Zwitserse psycholoog Jean Piaget. Vanaf de peutertijd realiseren kinderen zich steeds beter dat iemand op een andere locatie iets anders kan zien dan zij.

Ook conceptueel perspectief is onderzocht vanuit de ontwikkelingsstadia van kinderen. Volgens Piaget ontwikkelen kinderen tussen 7-12 jaar het vermogen tot ‘decentratie’, oftewel het besef dat anderen een bepaalde situatie anders kunnen ervaren dan jij.
Interessant zijn de studies onder kinderen met ADHD of autisme, die laten zien dat zij niet persé minder goed zijn in perceptueel perspectief wisselen, maar vooral conceptueel. Het laten zien van video’s waarin mensen expliciet van conceptueel perspectief wisselen, helpt iets in het verbeteren van dit vermogen.

Het vermogen om conceptueel van perspectief te wisselen is in vele contexten onderzocht en in verband gebracht met meer empathie, sympathie en creativiteit, en minder stereotypering. Ook is aangetoond dat het kan leiden tot allerlei wenselijke uitkomsten, bijvoorbeeld pro-sociaal gedrag als vrijwilligerswerk, maar ook zelfvertrouwen en tevredenheid met je leven.

Wisselen van perspectief lijkt dus inderdaad best een goed idee, maar op de vraag hoe je dit kunt stimuleren heb ik nog niet echt een goed antwoord. Misschien heeft het schrijven van deze blog iets geholpen..?

* Deelnemers aan 2 van hun experimenten bleken een hardnekkig egocentrisme te bezitten, d.w.z., ondanks allerlei prikkels bedoeld om het perspectief van een ander in te nemen, bleven ze de wereld toch vooral zien vanuit hun eigen perspectief.

Deze blog is geschreven door Amber Ronteltap, onderzoeker bij het PubLab

Meer lezen?