Wat is wijsheid? Wetenschapscommunicatie als wetenschap

(Leestijd +- 6 minuten)

Eén van de vele hoogtepunten van het Etmaal van de Communicatiewetenschap was het panel ‘Where Science meets Society’, waarin hoogleraren hun krachten bundelden op het gebied van wetenschapscommunicatie. De deelnemers aan het panel schetsten de voorwaarden waaraan ontmoetingen tussen wetenschap en maatschappij zouden moeten voldoen om effectief te zijn. Met het risico een vertekend beeld te geven van het aantal vrouwelijke hoogleraren in Nederland , ga ik in deze blog vooral in op de bijdragen van Ionica Smeets (UvL), Noelle Aarts (WUR en UvA) en Hedwig te Molder (WUR en UTwente).

Deze grandes dames van de communicatiewetenschap pleitten achtereenvolgens voor het verkondigen van wetenschappelijke informatie in begrijpelijke taal, het bevorderen van dialoog, en het blootleggen van de moraliteit die in kennis verborgen ligt. Deze thema’s belichten ogenschijnlijk steeds een ander aspect van wetenschapscommunicatie, maar hangen nauw met elkaar samen.
Zoals Van Woerkum en Auweraert (2004) al stelden ontmoet de wetenschap de maatschappij in toenemende mate via gesprekken, al varieert de mate van interactie tussen wetenschap en publiek. Maar ook wanneer er sprake lijkt van eenrichtingsverkeer zal de toehoorder zijn eigen betekenis toekennen aan wetenschappelijke uitspraken. In het algemeen is communicatie waarbij verwezen wordt naar wetenschappelijk onderzoek op te vatten als wetenschapscommunicatie. Dit geldt dus ook voor onderdelen van het arts-patiënt gesprek of klimaatdebatten die zich afspelen op het internet.

Ionica Smeets ging in op het gebruik van jargon door wetenschappers. Ze liet daarbij zien dat sommige wetenschappers zelf niet op de hoogte zijn van de betekenis van bepaalde woorden die als jargon aangemerkt kunnen worden. Het ultieme bewijs dat jargon niet effectief is om complexe zaken uit te leggen. Zoals ook in haar oratie, onderstreepte Smeets het belang van ‘gewone’ taal in wetenschapscommunicatie (Smeets, 2016). Dat werpt echter wel de vraag op wat we onder ‘gewone’ taal verstaan. Want wat is het jargon van de leek?
Het is niet eenvoudig aan te duiden waar de grens ligt aan het gebruik van Jip en Janneke taal in de wetenschap. Zoals van Woerkum en Auweraert (2004) al naar voren brachten zijn vele wetenschappelijke termen tot de ‘gewone’ taal doorgedrongen. In haar oratie noemde Smeets arts-patiënt communicatie als voorbeeld van communicatie waarin begrijpelijkheid van groot belang is. Wanneer adviezen opgevolgd moeten worden die in het belang zijn van de (gezondheid van de) toehoorder, staat begrijpelijkheid van deze adviezen bovenaan. In die zin hangt het belang van ‘gewone’ taal ook af van wat er op het spel staat voor de leek. Dit alles onderstreept de noodzaak om wetenschappers op te leiden in het spreken van deze taal.
Daarnaast heeft de wetenschapper te maken met  communicatiedoelen die met elkaar botsen: enerzijds wil hij de kans vergroten dat het publiek begrijpt waar hij het over heeft en anderzijds moet hij voorkomen dat het publiek zich als ‘dom’ behandeld voelt. Smeets haalt bovendien onderzoek aan dat laat zien dat leken hun afhankelijkheid van wetenschap onderschatten wanneer er te weinig moeilijke woorden gebruikt worden (Scharrer, Rupieper, Stadtler & Bromme, 2016). Cruciaal is dan ook in acht te nemen met wie er gecommuniceerd wordt, welke expertise er reeds aanwezig is en hoe gevoelig het publiek is voor een bepaalde tone of voice. Zoals Smeets zegt ‘het is makkelijk mensen te overschatten’. Het is echter ook makkelijk om mensen te onderschatten, en dat is een legitieme zorg die zou moeten worden meegenomen in het verhaal. Wellicht biedt het perspectief van Aarts hier een uitweg: wanneer wetenschapscommunicatie het karakter heeft van dialoog is er meer gelegenheid het gebruik van jargon toe te lichten of uit te leggen of te bevragen.

Noelle Aarts (WUR en UvA), waarschuwt voor het gevaar van het vastlopen van discussies. Wanneer sprekers er vanuit gaan dat alle participanten (bijvoorbeeld wetenschappers en leken) over een stukje van de waarheid beschikken, dan ontstaat er ruimte voor dialoog. Het idee van wetenschappelijke kennis als waarheid is dan ook niet langer toereikend: er zou meer aandacht moeten zijn voor het toekennen van een betekenis aan deze kennis en de manier waarop dat gebeurt (van Woerkum en Auweraert, 2004).
In de praktijk blijkt het echter vaak lastig, ook voor wetenschappers, om een dialoog vorm te geven en de neiging om anderen te overtuigen van het eigen gelijk te onderdrukken. Volgens Aarts (2015) een natuurlijke neiging wanneer mensen in discussie gaan met andersdenkenden. We zijn dan geneigd tot het presenteren van dichotomieën, of – als we dit als jargon zien – keuzen tussen twee uitersten. Ook framen we, ofwel beschrijven we bepaalde gebeurtenissen, personen of ontwikkelingen op een manier die ten gunste komt van ons eigen standpunt. Dit zijn verontrustende mechanismen, vooral in deze tijd waarin polarisatie continu op de loer ligt.
Vanuit gespreksanalytisch oogpunt is daarbij ook van belang dat  bepaalde gespreksdilemma’s een rol spelen wanneer een partij in de positie wordt gebracht van degene die ‘overtuigd  moet worden’. Deze positie veronderstelt dat de één per definitie niet overtuigd is van de standpunten van de ander en roept associaties op met weerstand en wantrouwen. Het idee of argument waarvan overtuigd moet worden, wordt bij voorbaat al als discutabel of niet vanzelfsprekend gedefinieerd. Bovendien brengt deze positie interactionele dilemma’s of conflicten met zich mee zoals ‘hoe kan ik deze argumenten accepteren zonder dat het lijkt alsof ik makkelijk te overtuigen ben / goedgelovig ben / niet voldoende kritisch ben’, zelfs als de ander wel wat in de argumenten van de tegenstander ziet. Deze aandachtspunten voor dialoog doen tevens denken aan de valkuilen bij het aankaarten van issues of crises. Ook bij het onder de aandacht brengen van crises is ‘vrijmoedig spreken’ belangrijker dan overtuigen. Zoals Annette Klarenbeek (2012) aantoonde in haar proefschrift, lokken bepaalde probleemformuleringen door klokkenluiders ook weer tegenreacties op waardoor het crisissignaal niet als zodanig wordt opgepakt.

Dat brengt mij op de bijdrage van Hedwig te Molder (WUR en UTwente), waarin vooral centraal staat hoe in het dagelijks leven over wetenschappelijke kennis wordt gecommuniceerd. Aan de hand van een telefoongesprek op de radio over de aandoening ADHD laat Te Molder zien hoe een moeder zich presenteert als bezorgde ouder zonder details te geven over het gedrag van haar zoon. De radiohost verzoekt de moeder om dit ‘afwijkende gedrag’ verder te beschrijven. Wanneer zij vertelt dat de jongen heel lang doet over het aantrekken van zijn sokken, werpt de presentator op dat dit gewoon luiheid kan zijn.
De analyse laat zien dat over expertise onderhandeld kan worden: de moeder presenteerde zich vooral als bezorgde ouder, zonder daarbij te diep in te gaan op de technische details van het gedrag van haar zoon. Zodra dit gedrag expliciet wordt beschreven, en door de radiohost wordt genormaliseerd, komt het ‘recht’ op een medische duiding van dit gedrag in gevaar. Gesprekken als deze laten vooral ook zien dat kennis en identiteit met elkaar verweven zijn in gesprekken, en dat bepaalde argumenten dienen om een identiteit op te bouwen waarin expertise of juist het ontbreken daarvan verschillende rollen kan vervullen. Geloofwaardigheid valt of staat bij de manier waarop kennis wordt geformuleerd en naar voren wordt gebracht.

Het panel bood een interessante combinatie van perspectieven op wetenschapscommunicatie, waarbij Smeets zich vooral richtte op het traditionele model van de wetenschapper die het publiek voorlicht, terwijl Aarts en Te Molder een bredere opvatting van wetenschapscommunicatie als gesprek belichtten. Belangrijk hierbij is dat in alle gevallen er sprake is van partijen die hun eigen constructie maken van de werkelijkheid en te maken hebben met specifieke interactionele dilemma’s of gesprekszorgen, gericht op het bewaken van een zekere identiteit. De presentaties laten zien dat de drie thema’s die van Woerkum en Auweraert (2004) reeds beschreven als aandachtspunten voor ontmoetingen tussen wetenschap en samenleving steeds belangrijker worden, namelijk: het oog hebben voor de verschillende typen discours (‘gewoon’ taalgebruik versus jargon), het samenkomen van verschillende soorten kennis (waarheden) en het belangenprobleem (met welk doel wordt wetenschappelijke kennis ingezet).

 Meer lezen over dit onderwerp?

  • Aarts, M. N. C. (2015). The Art of Dialogue. Wageningen: Inaugural lecture upon taking up the post of Personal Professor of Communication and Change in Life Science Contexts at Wageningen University.
  • Klarenbeek, A. (2012) Crisis in aantocht, een interactioneel perspectief op crisiscommunicatie. Wageningen Universiteit.
  • Scharrer, L., Rupieper, Y.,  Stadtler, M. & Bromme, R. (2016). When science becomes too easy: Science popularization inclines laypeople to underrate their dependence on experts. Public Understanding of Science, 1-16.
  • Smeets, I. (2016). Enige beschouwingen over de waarde der wetenschapscommunicatie. Leiden: inaugurele rede bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar op het gebied van Wetenschapscommunicatie, Universiteit van Leiden.
  • Te Molder, H. (2014). The Hidden Moralities of Knowledge. Communicating Science and Technology in the Life Science Context. Wageningen: Inaugural lecture upon taking up the post of Personal Professor of Strategic Communication at Wageningen University.
  • Woerkum, C. van, Auweraert, A. (2004). Wetenschapscommunicatie: Where Science Meets Society. In  Hamelink, Cees J., van Veen, Irene, Willems, Jaap (red.). Congresbundel Da Vinci Instituut, VU. Interactieve Wetenschapscommunicatie. Bussum : Uitgeverij Coutinho, p. 43 – 53.
  • Leestip: artikel NRC over het falen van feiten en wantrouwen in de wetenschap.


Deze blog is geschreven door Petra Sneijder, docent-onderzoeker bij het Publab.