WP 1: Optimalisatie van het videoportal

Werkpakket 1: Optimalisatie van een innovatief videoportal

De concrete uitdaging van werkpakket 1 is om software te ontwerpen die het veilig ontvangen en opslaan van videobeelden, gemaakt door ouders, mogelijk en aantrekkelijk in gebruik maakt voor praktijken kinderfysiotherapie.

Werkpakket 1 wordt in twee delen verdeeld. Deel 1A richt zich op de harde technologie, aanpassingen ten behoeve van beschikbaarheid, schaalgrootte, beveiliging en beheer; deel 1B richt zich op de zachte technologie, dus aanpassingen ter verbetering van het gebruikersinterface, het gebruiksgemak en de aantrekkelijkheid van de toepassing.

Deelonderzoek 1A Harde technologie
Het bestaande GODIVA-systeem is ontwikkeld als opslagsysteem. De functionaliteiten die nodig zijn voor succesvolle ontsluiting door fysiotherapeuten ontbreken daar in. De gebruikersgroep van GoAPP stelt specifieke eisen aan gebruik. Fysiotherapeuten moeten tijd kunnen besparen door de inzet van de software. De AIMS-test wordt ook nu al afgenomen; er is dus sprake van automatisering van al bestaande processen bij de medische professionals.

In de GODIVA-software is een analyse gemaakt van noodzakelijke beveiligings- en beheersaspecten, maar niet indachtig de publieke ontsluiting naar fysiotherapie praktijken. Extern gebruik door medische professionals stelt andere eisen aan bijvoorbeeld beschikbaarheid, schaalbaarheid en risico mitigatie. Een modern webgebaseerd video-systeem stelt specifieke eisen aan privacy en beveiliging.  Normen zijn internationaal (ISO-27000) en specifiek voor Nederland (o.a. NEN-7510, NEN-7512) geformuleerd, maar dat zijn geen kant-en-klare stappenplannen. De precieze implementatie binnen GoAPP moet apart onderzocht worden.

Deelonderzoek 1B: Zachte technologie
Voor de ontwikkeling van de gebruikersinterface (voor zowel de ouders als de zorgprofessionals) van de Godivapp zullen we de User-Centered Design Methode toepassen. In alle stadia van het proces voor het ontwikkelen van gebruikersinterface (ofwel mens-machine interactie, MMI) zijn er uitdagingen aan te geven met betrekking tot de gebruiksvriendelijkheid van de toepassing. Vaak wordt onvoldoende stilgestaan bij deze uitdagingen in een ontwikkeltraject dat gestuurd wordt door de technologie. Bij de User-Centered Design Methode ligt tijdens de ontwikkeling van de gebruikersinterface de nadruk op zowel de technologie als de gebruikers van deze technologie. In zijn algemeenheid bestaat deze methode uit een ‘top-down’ proces in drie fasen, die uiteindelijk leiden tot specificaties voor het concept op drie niveaus. In de eerste fase, de analysefase, die gebaseerd is op de doelen van de toekomstige gebruiker en de informatiebehoefte, worden de functies van het systeem en de bijbehorende beschikbare informatie vastgesteld (het taakniveau van de gebruikersinterface). In de tweede fase, de ontwerpfase, worden de bediening van deze functies en de informatiepresentatie gespecificeerd (het communicatieniveau van de gebruikersinterface). In de derde fase, de implementatiefase, wordt het interface-ontwerp ontwikkeld (het interface-ontwerp wordt  geïmplementeerd). Een interface-specificatie moet op beide niveaus voldoen aan huidige richtlijnen, standaarden en conventies, als algemene voorwaarde voor de realisatie van een gebruiksvriendelijke toepassing.
Het ontwikkelen van een gebruikersinterface is een iteratief proces, waarin kennis over gebruikersbehoeften en ontwerpoplossingen steeds worden verfijnd totdat ze tegemoet komen aan de eisen op het gebied van gebruiksvriendelijkheid. Het betrekken van gebruikers in het proces wordt gezien als een belangrijke eis voor een succesvol ontwerp. Hiervoor zijn diverse methoden beschikbaar, die zijn toegespitst op de verschillende ontwikkelfasen. Specifieke problemen met behoeften en interactie zullen bijvoorbeeld vaak pas optreden tijdens een realistisch gebruik van het systeem (e.g. met prototypen).