Begrippenlijst A-Z

Het afstudeerprogramma is dat deel van het toetsprogramma waarin de competenties of kerntaken op het eindniveau worden getoetst. Daarmee is het afstudeerprogramma relevant voor standaard 4 van het NVAO kader: het gerealiseerd eindniveau.

Bij een arbeidsproef voert de student daadwerkelijk een beroepstaak uit in een echte arbeidssituatie. Beoordelaars observeren studenten en studenten worden op basis daarvan beoordeeld. Denk b.v. aan het geven van een les aan het einde van de opleiding tot leraar of het uitvoeren van diagnostisch onderzoek bij patiënten door medisch studenten.

Beoordelaarsbetrouwbaarheid is een maat die aangeeft in hoeverre de beoordelingen van de beoordelaars identiek zijn na correctie voor mildheid of strengheid van de beoordelaars.

Beoordelaarseffecten zijn onbedoelde effecten op de score van de kandidaat, voortkomend uit de activiteit van het beoordelen. De beoordelaar is zich meestal niet bewust van deze effecten.

Bij het beoordelen van een opdracht gaat het om het resultaat. Het resultaat van een opdracht is het product zelf en de verworven competenties. Voor het goed kunnen beoordelen van het product en de verworven competenties moeten de beoordelingscriteria vooraf helder zijn. De beoordelingscriteria voor het product worden ontleend aan de beroepspraktijk en de professionele criteria die daar gehanteerd worden.

Beroepsgericht toetsen betekent dat de beroepsbekwaamheid van studenten getoetst wordt. Voor het aantonen van beroepsbekwaamheid zijn meerdere toetsen nodig.

Een beroepsproduct is product waarmee studenten aan kunnen tonen dat zij de leeruitkomsten hebben behaald (Van Berkel, Bax & Joosten-ten Brinke, 2017). Het zijn diensten of producten die een professional moet kunnen leveren in het uitoefenen van zijn beroep (Losse, 2016). Denk bijvoorbeeld aan een analyse, advies, fabricaat, ontwerp of een handeling.

Basis Kwalificatie Examinering. Dit betekent dat een docent aantoonbaar bekwaam moet zijn volgens de eisen die aan de huidige toetspraktijk worden gesteld.

Een cesuur is de grens tussen zakken en slagen.

Bij co-assessment krijgt de student een rol in het beoordelingsproces. Het is een methode waarbij de student samen met de docent beslist over de manier waarop wordt beoordeeld en de studenten omschrijven samen met de docent de beoordelingscriteria. De uiteindelijke beoordeling wordt gedaan door de docent.

Een competentie is een vermogen dat kennis, inzicht, attitude en vaardigheidsaspecten omvat om in concrete taaksituaties doelen te bereiken.

In een competentiegericht assessment krijgt de student via een gestructureerd mondeling gesprek de kans de beoordelaars (assessoren) ervan te overtuigen dat hij/zij de vooropgestelde competenties voldoende bezit.

De toetsvorm, de samenhang tussen de toetsen in een toetsprogramma en het daarbij aangeboden onderwijs hangen met elkaar samen. Dat wordt congruentie genoemd.

De Dublin-descriptoren beschrijven de eindtermen voor de studies aan universiteiten en hogescholen in Europa.

Formatief toetsen heeft als doel te bepalen waar studenten staan in hun leerproces. Het geeft de student inzicht in zijn eigen leerproces en het geeft de docent informatie over studenten en kan als evaluatie van het onderwijs worden gebruikt.

De HU-kaders bestaan uit:

  • Het HU toetskader  is een hogeschoolbreed document dat richting geeft bij het ontwikkelen van toetsbeleid, het toetsprogramma en de toetsen.
  • ​OER staat voor Onderwijs- en Examenregeling. Het is de vertaling van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) naar onze hogeschool. In de OER vind je alle wet- en regelgeving, bijvoorbeeld over het bindend studieadvies, vrijstellingen en een extra tentamenkans.
  • Als invulling van landelijk gemaakte afspraken rondom toetsdeskundigheid heeft de HU kent een eigen kader BKE vastgesteld.

Een kalibreersessie wordt uitgevoerd na beoordeling van het werk van student. Op basis van het beoordelingsformulier en eventueel de rubric bespreken examinatoren het werk van studenten om overeenstemming te krijgen. Met dit soort bijeenkomsten verminderen we de beoordelaarseffecten, helpen we criteria transparant te maken, en ondersteunen we normvinding.

Kwaliteitsinstrument Toetsprogramma. Het is een tool om aan de hand van concrete kwaliteitscriteria en indicatoren de kwaliteit van het toetsprogramma te evalueren.

Toetskwaliteit is van groot belang omdat toetsen worden gebuikt om verantwoorde beslissingen te nemen over studenten. Toetsen vormt daarmee de basis voor de borging van de kwaliteit van het HBO. Onderstaande pyramide wordt vaak als model voor kwaliteit van onderwijs gebruikt.

Afbeeldingsresultaat voor kwaliteitspiramide toetsing

Een leeruitkomst is een concrete en eenduidige beschrijving van het gedrag dat een student moet laten zien om aan te tonen dat de beoogde competentie of kerntaak op het juiste niveau is behaald. Om leeruitkomsten te classificeren in niveaus van toenemende complexiteit wordt gebruik gemaakt van een passende taxonomie (bijvoorbeeld Bloom, Krathwohl).

Leerwegonafhankelijk toetsen gaat over het toetsen en beoordelen van leeruitkomsten. Het staat los van de gevolgde leerweg (niet hoe en waar is geleerd) maar het gaat juist om wat is geleerd.

Normering is het bepalen van regels hoe de toetsscores worden omgezet naar cijfers. Dat kan op verschillende manieren gebruiken zoals relatief, absoluut of met de compromismethode.

Bij een peer-assessment krijgt de student een rol in het beoordelingsproces. Het is een methode waarbij studenten elkaars werk beoordelen. Het is geen toetsvorm maar een leermethode.

Een rubric beschrijft aan de hand van een set criteria de verschillende niveaus van kwaliteit gerelateerd aan de leerdoelen. Een rubric geeft per niveau een complete beschrijving welke prestatie wordt verwacht van de student.

Bij self-assessment krijgt de student een rol in het beoordelingsproces. De student beoordeelt namelijk zijn eigen werk.

Senior Kwalificatie Examinering.  Hiervoor werk je aan een verdieping en verbreding van je toetsbekwaamheid.

Summatief toetsen heeft als doel een oordeel te vellen over de prestatie van de student. Er wordt een cijfer of beoordeling gegeven over de prestatie. Summatief toetsen helpt de docent evalueren wat een student heeft geleerd na het volgen van een cursus.

Een toetsanalyse betekent dat je een analyse op je toets uitvoert in het kader van de toetscyclus in het kader van evalueren en verbeteren. Je onderzoekt dan de resultaten en kijkt of je op basis daarvan conclusies over bepaalde vragen kunt trekken (goede/slechte vraag) zodat je bij een volgende toets gebruik kunt maken van deze informatie.

Toetsbekwaamheid gaat over of de verschillende actoren die bij de toetsorganisatie benoemd zijn voldoende bekwaam zijn om hun taken uit te voeren.

Het is een cyclus van 5 stappen die gebruikt wordt binnen de HU om de kwaliteit van toetsing te vergroten.

Een toets geeft informatie over het leren van de student of om beslissingen te nemen over studenten. Er zijn in totaal 3 functies van toetsen:

  • Diagnostische functie of formatieve functie van toetsen
  • Selecterende functie of summatieve functie van toetsen
  • Evaluatieve functie

De toetsorganisatie is de organisatie waaronder de processen om te komen tot goede toetsen en beoordelingen geborgd worden. Tot de toetsorganisatie behoort bijvoorbeeld ook de examencommissie die verantwoordelijk is voor de borging van de kwaliteit van de toetsing. Ook het aspect van digitaal toetsen behoort tot de toetsorganisatie.

Het toetsprogramma van een opleiding is het overzicht van de bewuste en beargumenteerde combinatie van toetsen, toetsfuncties en toetsvormen die een samenhangend beeld geven van de competenties of kerntaken van de opleiding, en daarmee van de eindkwalificaties.

Een toetsvorm is het type toets dat wordt ingezet in het onderwijs denk b.v. aan casus toets of mondeling. De toetsvorm heeft voor- en nadelen maar het belangrijkste is welke toets past bij welk leerdoel, op basis van inhoud, niveau en context.

Een toetsmatrijs is een overzicht waarin aangegeven wordt hoe de opgaven, behorende bij bepaalde doelstellingen, worden verdeeld over een toets. De toetsmatrijs is een blauwdruk, een uitgewerkt plan, dat een systematische constructie van een toets garandeert.