Gesloten vragen

Wat is het?

Bij een gesloten vraag is het antwoord exact vast te leggen, omdat je dit formuleert bij het opstellen van de vraag. Het zijn vragen waarbij studenten een keuze uit diverse antwoordmogelijkheden moeten maken. Gesloten toetsvragen komen in verschillende vormen voor:

  • De meerkeuzevraag. Je stelt een vraag (stam) en de student moet uit een aantal alternatieven het juiste antwoord kiezen. Het correcte antwoord noem je de sleutel en de overige alternatieven de afleiders (Biemond, Bos, Soeting, Sugito & Uil-Hoogerwaard, 2015).

  • De juist/onjuist en ja/nee vragen. De meest bekende variant bestaat uit een stelling waarvan studenten moeten aangeven of deze juist of onjuist is (Van Berkel & Bax, 2017). Een voorbeeld hiervan is de vraag “De opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening is onderdeel van de faculteit Maatschappij en Recht”. Als er meer context wordt weergegeven dan omvat de context de stam. De student hoeft de stam dan niet op juistheid te beoordelen. De vragen die dan volgen hebben betrekking op dezelfde stam.

Wanneer gebruik je een gesloten vragen toets?

Gesloten vragen zijn in het bijzonder geschikt voor de lagere cognitieve vaardigheden:

  • Vaststellen of studenten beroepsgerichte en vakgerichte kennis bezitten.
  • Vaststellen of studenten feitenkennis begrijpen en deze kunnen toepassen.

Hoe wordt deze toets gemaakt?

Bij het maken van gesloten vragen doorloop je een aantal stappen:

Stap 1: Je vult de toetsmatrijs in. Hieruit blijkt hoeveel vragen er per onderwerp ontwikkeld moeten worden en wat voor een soort vragen dit moeten zijn (kennis, begrip, toepassen of hogere cognitieve vaardigheden). Hier vind je een leeg format van een toetsmatrijs.

Stap 2: Je neemt de algemene tips  voor het ontwerpen van een toetsvraag door. Kijk ook goed naar de tijd die een student krijgt voor het maken van een toets. Belangrijk daarbij is te rekening te houden met de tijd die het een student kost om de vraag te lezen en beantwoorden:

  • Feitelijke meerkeuzevragen 40-60 seconden.
  • Complexere meerkeuzevragen 70-90 seconden.

Stap 3: Je ontwikkelt de stam vraag, hierbij let je op een aantal criteria.

Stap 4: Vervolgens ontwikkel je de sleutel van de vraag. Bij het ontwikkelen van de sleutel let je op een aantal criteria.

Stap 5: Je ontwikkelt de afleiders van de vraag. Ook hier gelden een aantal criteria. Soms kom je erachter dat je de stam van de vraag aan moet passen om de afleiders goed te kunnen formuleren.

Stap 6: Leg in een antwoordsleutel vast wat bij elke vraag het goede antwoord is. Gebruik de checklist voor gesloten vragen om de laatste controle uit te voeren.

 

Beoordelen van een gesloten vragen toets

Met behulp van de antwoordsleutel bepaal je hoeveel vragen een student goed heeft en kun je uit de normering het bijbehorende cijfer halen. Als de cesuur  is bepaald weet je of de student de toets heeft behaald.

Meer informatie:

Checklist gesloten vragen

Criteria ontwikkelen afleiders

Criteria ontwikkelen sleutel

Criteria ontwikkelen stam

Gesloten vraagvormen in TestVision

Lege toetsmatrijs

Voor- en nadelen van gesloten vragen toets

 

Literatuur:

Biemond, I., Bos-Horstink, M., Soeting, J., Sugito, A., & Uil-Hoogerwaard, W. (2015). Toetsontwikkeling in de praktijk. Hoe maak ik goede vragen en toetsen? Wilp: Teelen Kennismanagement B. V.

Van Berkel, H. & Bax A. (2017) Toetsen met gesloten vragen. In Van Berkel, H., Bax, A. & Joosten-ten Brinke Toetsen in het hoger onderwijs (4de herziene druk, pp.129-159). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.