Ad-dep Curriculum

De opleiding is zo opgebouwd dat de student gedurende de opleiding:

  • meegroeit in kennis en vaardigheden over de ontwikkeling van kinderen van onderbouw > middenbouw > bovenbouw
  • werkt aan alle taken en rollen van de leraarondersteuner.
  • werkt aan beroepsproducten in een reële beroepscontext; elke periode staat er een hele taak centraal waarin een deel van de taken en rollen van de leraarondersteuner verwerkt zijn.
  • vanuit geleerde theorie (didactiek/leerlijnen en pedagogiek) oefent met alle basisvaardigheden waarbij de kennisbases pabo van onderwijskunde & pedagogiek, taal, rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap centraal staan.

Semester 1; Onderbouw

In het eerste semester staat de ontwikkeling van het jonge kind centraal en loopt de student stage in de onder-/middenbouw (groep 1-2-3 (4)   

In periode A start de student met het observeren van de ontwikkeling van individuele of groepjes leerlingen tijdens leergesprekken of spelactiviteiten die de student heeft voorbereid. Activiteiten met de hele klas zijn in overleg met de student ook mogelijk, maar dit verwachten we niet.  De hele taak van deze periode is: De student brengt de taal-, reken- en mediaontwikkeling van leerlingen in kaart aan de hand van observaties en onderwijsleergesprekken.’   

In periode B gaat de student aan de slag met het verrijken van de leeromgeving binnen een bouw of klas en met het organiseren en begeleiden activiteiten voor (groepjes) leerlingen gericht op ontdekkend leren en begripsvorming. De hele taak van deze periode is: ‘De student stimuleert de taal- en rekenontwikkeling van het jonge kind door krachtige leeromgevingen en thematisch onderwijs te ontwerpen, geven en evalueren.’

Semester 2; Middenbouw

In het tweede semester staat het leren geven van instructies centraal en loopt de student stage in de middenbouw (groep 3-4-5-(6)). In dit semester oefent de student met het geven van instructies met een verwerking /begeleide inoefening aan/met  (kleine groepen) leerlingen. Het betreft instructies op één niveau, bijvoorbeeld een basisinstructie aan de hele klas, of een verlengde instructie aan een kleine groep.

In periode C bereidt de student zijn lessen voor met behulp van Directe Instructie zodat hij oefent met vaste stappen die in een uitleg aan bod komen. Hij sluit aan bij de beginsituatie van de groep door zijn les te baseren op de leerlijn (uit de methode) en overleg met de praktijkopleider. Bij het geven van de uitleg maakt hij (bij een deel van de lessen) gebruik van digitale instructie tools, zoals het digibord. De hele taak in periode C is dan ook De student geeft taal- en rekeninstructies aan een kleine groep leerlingen gebruikmakend van Directie Instructie en correct gebruik van het digibord.’

In periode D krijgt het ontwerpen een grotere rol; de student past de instructie aan op de leerlingen en zorgt ook voor een passende verwerking van de instructie. Hij houdt dan rekening met de beginsituatie op het gebied van de leerstof (zoals in periode C), maar ook op het gebied van kindkenmerken, zoals bijvoorbeeld taakaanpak of motivatie. In periode D staat de volgende hele taak centraal: De student ontwerpt, geeft en evalueert (opeenvolgende) lessen in de basisvaardigheden, met instructie, verwerking en evaluatie aan een (kleine) groep leerlingenaansluitend bij de beginsituatie van de groep.’ 

Semester 3; Bovenbouw

In het derde semester oefent de student met het geven van onderwijs dat gericht is op kansengelijkheid en het leren voor het leven (geletterdheid en gecijferheid). De student behandelt op de opleiding de pedagogiek en de didactiek/leerlijnen gericht op de bovenbouw en loopt dan ook stage in groep (5)-6-7-8.

In periode A is het thema ‘inclusief leren’ en staat de volgende hele taak centraal: ‘De student brengt de onderwijsbehoeften van een leerling in kaart en ontwerpt passend onderwijs dat aansluit bij de onderwijsbehoeften van de leerling en de context van de klas’. Net als in periode jaar 1 past de student het onderwijs aan op de behoefte van de leerlingen. In deze periode verdiept hij zich daarbij extra in de onderwijsbehoeften van de individuele leerlingen en werken vanuit interesses van leerlingen.

In periode B krijgt de studenten meer kennis van onderzoekend leren wanneer ze bezig gaan met echte vraagstukken uit het dagelijks leven. Deze periode heet dan ook ‘Leren in de wereld’ en de hele taak van deze periode is: “De student ontwerpt, geeft en evalueert onderzoekend leren aansluitend bij de ontwikkeling van het oudere basisschoolkind”.

Semester 4; Afstuderen in een bouw naar keuze

Omdat een Associate Degree een tweejarige opleiding is, vindt in semester 4 het afstuderen plaats. Met deze afstudeerstage toont de student aan klaar te zijn voor de rol als beginnend leraarondersteuner op Associate degree (Ad)-niveau.

De student loopt stage in een bouw naar keuze, waarin de student de leraren van alle groepen uit deze bouw ondersteunt en waar mogelijk ook deelneemt aan het bouw/ leerling-overleg dat in deze bouw plaatsvindt.

De student past de geleerde pedagogiek en didactiek/leerlijnen toe zoals deze in semester 1 t/m 3 zijn aangeboden. De student spreekt met de school een takenpakket met bijbehorend rooster af.  Met dit takenpakket moet de student kunnen werken aan de basisvaardigheden van leerlingen en aan alle leeruitkomstgebieden van de opleiding Didactisch Educatief Professional, waarbij de student toewerkt naar de eindverantwoordelijkheid voor de taken die met de leerlingen worden uitgevoerd. De student werkt in afstemming met de collega’s (intake; beginsituatie en gewenst doel) gedurende een blok/periode met individuele leerlingen, groepjes leerlingen of (deel)groepen op één niveau. De student evalueert aan het eind van de periode en legt verantwoording af aan betrokken collega‘s, zoals bijvoorbeeld de groepsleerkracht van groepjes leerlingen die de student heeft begeleid.

Naast het takenpakket gaat de student laten zien zelfstandig een ontwerp te kunnen maken en implementeren. Het gaat daarbij om een ontwerp gericht op een vraagstuk uit de praktijk waarbij meerdere basisvaardigheden geïntegreerd worden aangeboden. De student gebruikt daarbij de kennis en vaardigheden zoals aangeboden in semester 1 t/m 3, maar gebruikt ook aanvullende (theoretische) bronnen, afgestemd op de context van de bouw/school waar de student stageloopt. In semester 4 staat dan ook de volgende hele taak centraal:  ‘De student ontwerpt, passend bij de context van de school en/of bouw samenhangende activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van de basisvaardigheden. De student voert deze activiteiten uit, evalueert en presenteert de resultaten aan collega’s.’

 

2526 Curr DEP