Ambulancezorg

Context

​De taak van de medische hulpverlener ambulancezorg is om onder alle omstandigheden levensbedreigende situaties te herkennen, de vitale functies te bewaken en zo nodig levensreddend te handelen. Binnen de ambulancehulpverlening is kennis over diverse ziektebeelden en ziekteverschijnselen daarom van groot belang.
Het (be)handelen is hier voor een groot deel op gebaseerd. Maar om uiteindelijk een benadering te kiezen en over te gaan tot een behandeling doorloop je eerst een aantal stappen. Deze stappen pas je toe bij het klinisch redeneren. Daarbij kan de setting waarin je werkt meespelen in je keuze voor een behandeling en/of benadering. Tevens dien je gebruik te maken van en/of te verwijzen naar de landelijke ambulanceprotocollen.
Als hulpverlener is het belangrijk om te weten hoe ziekte en gezondheid een rol spelen bij de mensen thuis. Deze kennis neem je mee in het verlenen van de juiste hulp voor de patiënt en direct betrokkenen. Er zijn maar weinig mensen die graag met een ambulance vervoerd willen worden omdat het meestal betekend dat ze ernstig ziek zijn.

Opzet minor

In deze minor leer je de patiënten behandelen met een laag-complexe zorgvraag maar ook met een hoog-complexe zorgvraag.
We behandelen protocollenkennis en methodisch handelen volgens ABCDE methodiek. Levensreddende handelingen en voorbehouden handelingen. Wettelijke bepalingen en ethiek. Plannen van zorg, duidelijke communicatie en samenwerking zijn allemaal belangrijke zaken die in deze minor worden behandeld en geoefend.
Verder gaan we dieper in de op tal van verschillende ziektebeelden en de specifieke “acute” behandeling.
De minor is een afwisseling van praktijkgericht oefenen en combineren van kennis, kunde en klinisch redeneren om zo de zorgvrager zo optimaal te kunnen behandelen.
De minor ambulancezorg is opgebouwd uit zes cursussen:

Cursus 1: Laagcomplexe traumatologie
Cursus 2: Laagcomplexe cardiologie
Cursus 3: Klinisch redeneren ambulancezorg I
Cursus 4: Hoogcomplexe traumatologie
Cursus 5: Hoogcomplexe cardiologie
Cursus 6: Klinisch redeneren binnen de ambulancezorg II

Ingangseisen

​Goede beheersing van:

primary en secondary survey (ABCDE-methodiek), kennis en kunde m.b.t. anatomie, fysiologie en pathologie op het gebied van de cardiologie, pulmonologie, neurologie, chirurgie/traumatologie, gynaecologie, verloskunde, interne geneeskunde, psychiatrie en kindergeneeskund, het afnemen van complete medische anamnese, van de uitvoering van compleet medisch lichamelijk onderzoek en reanimatievaardigheden op het startniveau van Advanced Life Support.